Op woensdag 13 december
2006 nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in consensus het nieuwe
bindende Verdrag
voor gelijke rechten van personen met een handicapaan. Secretaris-generaal Kofi Annan noemde dit feit ‘the
dawn of a new era’. Het is het eerste mensenrechtenverdrag van de 21e eeuw en
legt aan de 192 lidstaten van de VN een bindende regelgeving op met betrekking
tot de rechten van personen met een handicap.
Uitgangspunt
voor het Verdrag is een inclusieve en diverse samenleving. Het garandeert het
genot van meer dan 20 mensenrechten en vrijheden: onder andere de deelname aan
het gewoon onderwijs en regulier werk, persoonlijke mobiliteit, (keuze in) zorg
en revalidatie, integrale toegankelijkheid, het recht op leven en de bescherming
van de integriteit van de persoon. Sociale achterstelling dient te worden
bestreden door een regelgeving voor antidiscriminatie en redelijke aanpassingen.
Overheden dienen te werken aan een mentaliteitswijziging en correcte
beeldvorming ten opzichte van personen met een handicap.
Zoals ook
het geval was bij het totstandkomen van dit Verdrag dienen mensen met een
handicap en hun vertegenwoordigende organisaties bij de ontwikkeling van een
dergelijk beleid actief te worden betrokken. Het Verdrag reikt mechanismen aan
voor de monitoring van deze rechten en de invoering van het Verdrag.
Vanaf 30
maart 2007 zal het Verdrag, en een optioneel protocol, kunnen worden ondertekend
door de lidstaten. Mogelijk zal dit door de Europese Unie als een geheel
gebeuren.
Op
Lijst van landen die het verdrag ondertekend hebben
kunt u zien welke landen het verdrag steunen.
Op Landen die het verdrag geratificeerd hebben
vindt u een lijst van landen die het verdrag inmiddels geratificeerd hebben.
Hieronder
vindt u de Nederlandse vertaling van het verdrag (Bron:
TRACTATENBLAD VAN HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN JAARGANG 2007 Nr. 169).
Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
Preambule De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,
a. Indachtig de beginselen vastgelegd in het Handvest van
de Verenigde Naties, waarin de inherente waardigheid en waarde en de gelijke en
onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensheid worden erkend als de
grondvesten van vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld,
b. Erkennend dat de Verenigde Naties in de Universele Verklaring van de Rechten
van de Mens en de internationale mensenrechtenverdragen hebben verklaard en zijn
overeengekomen dat eenieder aanspraak heeft op alle daarin genoemde rechten en
vrijheden, zonder enig onderscheid van welke aard dan ook,
c. Opnieuw het universele en ondeelbare karakter bevestigend van, alsmede de
onderlinge afhankelijkheid en de nauwe samenhang tussen alle mensenrechten en
fundamentele vrijheden, en de noodzaak dat personen met een handicap
gegarandeerd wordt dat zij deze ten volle en zonder discriminatie kunnen
uitoefenen,
d. In herinnering roepend het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale
en Culturele Rechten, het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en
Politieke Rechten, het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle
vormen van rassendiscriminatie, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen
van discriminatie van vrouwen, het Verdrag tegen foltering en andere wrede,
onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag inzake de
rechten van het kind en het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de
rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden,
e. Erkennend dat het begrip handicap aan verandering onderhevig is en
voortvloeit uit de wisselwerking tussen personen met functiebeperkingen en
sociale en fysieke drempels die hen belet ten volle, effectief en op voet van
gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving,
f. Het belang erkennend van de beginselen en beleidsrichtlijnen, vervat in het
Wereldactieplan met betrekking tot personen met een handicap en in de
Standaardregels voor het bevorderen van gelijke kansen voor personen met een
handicap bij het beïnvloeden van de bevordering, formulering en beoordeling van
het beleid, de plannen, programma’s en maatregelen op nationaal, regionaal en
internationaal niveau teneinde gelijke kansen voor personen met een handicap
verder te bevorderen,
g. Het belang benadrukkend van de integratie van aan handicap gerelateerde
vraagstukken in het beleid als integraal onderdeel van de relevante strategieën
voor duurzame ontwikkeling,
h. Tevens erkennend dat discriminatie van iedere persoon op grond van handicap
een schending vormt van de inherente waardigheid en waarde van de mens,
i. Zich voorts rekenschap gevend van de diversiteit van personen met een
handicap,
j. De noodzaak erkennend de mensenrechten van alle personen met een handicap,
met inbegrip van hen die intensievere ondersteuning behoeven, te bevorderen en
beschermen,
k. Bezorgd over het feit dat personen met een handicap ondanks deze
uiteenlopende instrumenten en initiatieven overal ter wereld nog steeds
geconfronteerd worden met obstakels die hun participatie in de samenleving als
gelijkwaardige leden belemmeren, alsmede met schendingen van hun mensenrechten,
l. Het belang onderkennend van internationale samenwerking ter verbetering van
de levensomstandigheden van personen met een handicap in alle landen, in het
bijzonder in ontwikkelingslanden,
m. De gewaardeerde bestaande en potentiële bijdragen erkennend van personen met
een handicap aan het algemeen welzijn en de diversiteit van hun gemeenschappen,
en onderkennend dat bevordering van het volledige genot van de mensenrechten en
fundamentele vrijheden en de volwaardige participatie door personen met een
handicap ertoe zal leiden dat zij sterker gaan beseffen dat zij erbij horen en
zal resulteren in wezenlijke vorderingen in de humane, sociale en economische
ontwikkeling van de maatschappij en de uitbanning van armoede,
n. Het belang voor personen met een handicap erkennend van individuele autonomie
en onafhankelijkheid, met inbegrip van de vrijheid hun eigen keuzes te maken,
o. Overwegend dat personen met een handicap in de gelegenheid moeten worden
gesteld actief betrokken te zijn bij de besluitvormingsprocessen over beleid en
programma’s, met inbegrip van degenen die hen direct betreffen,
p. Bezorgd over de moeilijke situaties waarmee personen met een handicap worden
geconfronteerd die het slachtoffer zijn van meervoudige en/of zeer ernstige
vormen van discriminatie op grond van hun ras, huidskleur, sekse, taal, religie,
politieke of andere mening, nationale, etnische of sociale herkomst, vermogen,
geboorte, leeftijd of andere status,
q. Erkennend dat het risico het slachtoffer te worden van geweld, verwonding of
misbruik, verwaarlozing, nalatige behandeling, mishandeling of uitbuiting voor
vrouwen en meisjes met een handicap, zowel binnens-als buitenshuis, vaak groter
is,
r. Erkennend dat kinderen met een handicap op voet van gelijkheid met andere
kinderen alle mensenrechten en fundamentele vrijheden ten volle moeten kunnen
genieten, daarbij in herinnering roepend de toezeggingen die de Staten die
Partij zijn bij het Verdrag inzake de rechten van het kind in dat verband hebben
gedaan, 61 169
s. De noodzaak benadrukkend dat bij alle pogingen om het volledige genot van de
mensenrechten en fundamentele vrijheden door personen met een handicap te
bevorderen rekening dient te worden gehouden met het genderperspectief,
t. Met nadruk wijzend op het feit dat de meerderheid van personen met een
handicap in armoedige omstandigheden leeft en in dit verband erkennend dat het
zeer noodzakelijk is dat de negatieve gevolgen van armoede voor personen met een
handicap worden aangepakt,
u. Indachtig het feit dat vreedzame en veilige omstandigheden op basis van
eerbiediging van alle doelstellingen en beginselen vervat in het Handvest van de
Verenigde Naties en naleving van de van toepassing zijnde
mensenrechteninstrumenten onontbeerlijk zijn voor de volledige bescherming van
personen met een handicap, in het bijzonder tijdens gewapende conflicten en
buitenlandse bezetting,
v. De noodzaak erkennend van een toegankelijke fysieke, sociale, economische en
culturele omgeving, de toegang tot gezondheidszorg, onderwijs en tot informatie
en communicatie, teneinde personen met een handicap in staat te stellen alle
mensenrechten en fundamentele vrijheden ten volle te genieten,
w. Beseffend dat mensen, die verantwoordelijkheid dragen tegenover hun
medemensen en de gemeenschap waartoe zij behoren, verplicht zijn te streven naar
de bevordering en eerbiediging van de rechten die erkend worden in het
Internationaal Statuut van de Rechten van Mens,
x. Ervan overtuigd dat het gezin de natuurlijke hoeksteen van de samenleving
vormt en recht heeft op bescherming door de samenleving en de Staat en dat
personen met een handicap en hun gezinsleden de nodige bescherming en
ondersteuning dienen te ontvangen, teneinde hun gezinnen in staat te stellen bij
te dragen aan het volledige genot van de rechten van personen met een handicap
en wel op voet van gelijkheid met anderen,
y. Ervan overtuigd dat een allesomvattend en integraal internationaal verdrag om
de rechten en waardigheid van personen met een handicap te bevorderen en te
beschermen, een wezenlijke bijdrage zal vormen aan het aanpakken van de grote
sociale achterstand van personen met een handicap en hun participatie in het
burgerlijke, politieke, economische, sociale en culturele leven met gelijke
kansen, in zowel ontwikkelde landen, als ontwikkelingslanden zal bevorderen,
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1 Doelstelling
Doel van dit Verdrag is het volledige genot door alle
personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op
voet van gelijkheid te bevorderen, beschermen en waarborgen, en ook de
eerbiediging van hun inherente waardigheid te bevorderen. Personen met een
handicap omvat personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of
zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen
beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te
participeren in de samenleving.
Artikel 2 Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag: ,,communicatie’’
omvat talen, weergave van tekst, braille, tactiele communicatie,
grootletterdruk, toegankelijke multimedia, alsmede geschreven teksten,
audioteksten, eenvoudige taal, gesproken tekst, ondersteunende communicatie en
alternatieve methoden, middelen en vormen voor communicatie, waaronder
toegankelijke informatie-en communicatietechnologieën; ,,taal’’ omvat
gesproken taal, gebarentaal alsmede andere vormen van niet-gesproken taal;
,,discriminatie op grond van handicap’’: elk onderscheid en elke uitsluiting
of beperking op grond van een handicap dat of die ten doel of tot gevolg heeft
dat de erkenning, het genot of de uitoefening, op voet van gelijkheid met
anderen van de mensenrechten en fundamentele vrijheden in het politieke,
economische, sociale, culturele of burgerlijke leven, of op andere gebieden
aangetast of onmogelijk gemaakt wordt. Het omvat alle vormen van discriminatie,
met inbegrip van de weigering van redelijke aanpassingen; ,,redelijke
aanpassingen’’: noodzakelijke en passende wijzigingen, en aanpassingen die
geen disproportionele of onevenredige, of onnodige last opleggen, indien zij in
een specifiek geval nodig zijn om te waarborgen dat personen met een handicap
alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid met anderen
kunnen genieten of uitoefenen; ,,universeel ontwerp’’: ontwerpen van
producten, omgevingen, programma’s en diensten die door iedereen in de ruimst
mogelijke zin gebruikt kunnen worden zonder dat aanpassing of een speciaal
ontwerp nodig is. ’’Universeel ontwerp’’ omvat tevens ondersteunende
middelen voor specifieke groepen personen met een handicap, indien die nodig
zijn.
Artikel 3 Algemene beginselen
De grondbeginselen van dit Verdrag zijn:
a. Respect voor de inherente waardigheid, persoonlijke autonomie, met inbegrip
van de vrijheid zelf keuzes te maken en de onafhankelijkheid van personen;
b. Non-discriminatie;
c. Volledige en daadwerkelijke participatie in, en opname in de samenleving;
d. Respect voor verschillen en aanvaarding dat personen met een handicap deel
uitmaken van de mensheid en menselijke diversiteit;
e. Gelijke kansen;
f. Toegankelijkheid;
g. Gelijkheid van man en vrouw;
h. Respect voor de zich ontwikkelende capaciteiten van kinderen met een handicap
en eerbiediging van het recht van kinderen met een handicap op het behoud van
hun eigen identiteit.
Artikel 4 Algemene verplichtingen
1. De Staten die Partij zijn verplichten zich te
waarborgen en bevorderen dat alle personen met een handicap zonder enige vorm
van discriminatie op grond van hun handicap ten volle alle mensenrechten en
fundamentele vrijheden kunnen uitoefenen. Hiertoe verplichten de Staten die
Partij zijn zich:
a. tot het aannemen van alle relevante wetgevende, bestuurlijke en andere
maatregelen voor de implementatie van de rechten die in dit Verdrag erkend
worden;
b. tot het nemen van alle relevante maatregelen, met inbegrip van wetgeving,
teneinde bestaande wetten, voorschriften, gebruiken en praktijken aan te passen,
of af te schaffen die discriminatie vormen van personen met een handicap;
c. bij al hun beleid en programma’s rekenschap te geven van de bescherming en
bevordering van de mensenrechten van personen met een handicap;
d. te onthouden van elke handeling of praktijk die onverenigbaar is met dit
Verdrag en te waarborgen dat de overheidsautoriteiten en -instellingen handelen
in overeenstemming met dit Verdrag;
e. tot het nemen van alle passende maatregelen om discriminatie op grond van een
handicap door personen, organisaties of particuliere ondernemingen uit te
bannen;
f. tot het uitvoeren of bevorderen van onderzoek naar en ontwikkeling van
universeel ontworpen goederen, diensten, uitrusting en faciliteiten zoals
omschreven in artikel 2 van dit Verdrag, die zo min mogelijk behoeven te worden
aangepast en tegen de laagste kosten, om te beantwoorden aan de specifieke
behoeften van personen met een handicap, het bevorderen van de beschikbaarheid
en het gebruik ervan, en het bevorderen van universele ontwerpen bij de
ontwikkeling van normen en richtlijnen;
g. tot het uitvoeren of bevorderen van onderzoek naar en ontwikkeling van, en
het bevorderen van de beschikbaarheid en het gebruik van nieuwe technologieën,
met inbegrip van informatie-en communicatietechnologieën,
mobiliteitshulpmiddelen, instrumenten en ondersteunende technologieën, die
geschikt zijn voor personen met een handicap, waarbij de prioriteit uitgaat naar
betaalbare technologieën;
h. tot het verschaffen van toegankelijke informatie aan personen met een
handicap over mobiliteitshulpmiddelen, instrumenten en ondersteunende
technologieën, met inbegrip van nieuwe technologieën, alsmede andere vormen
van hulp, ondersteunende diensten en faciliteiten;
i. de training te bevorderen van vakspecialisten en personeel die werken met
personen met een handicap, op het gebied van de rechten die in dit Verdrag
worden erkend, teneinde de door deze rechten gewaarborgde hulp en diensten beter
te kunnen verlenen.
2. Wat betreft economische, sociale en culturele rechten, verplicht elke Staat
die Partij is zich maatregelen te nemen met volledige gebruikmaking van de hem
ter beschikking staande hulpbronnen en, waar nodig, in het kader van
internationale samenwerking, teneinde steeds nader tot een algehele
verwezenlijking van de in dit Verdrag erkende rechten te komen, onverminderd de
in dit Verdrag vervatte verplichtingen die volgens het internationale recht
onverwijld van toepassing zijn.
3. Bij de ontwikkeling en implementatie van wetgeving en beleid tot uitvoering
van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende
aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de
Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip
van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve
organisaties actief bij.
4. Geen enkele bepaling van dit Verdrag tast bepalingen aan die in sterkere mate
bijdragen aan de verwezenlijking van de rechten van personen met een handicap en
die vervat kunnen zijn in het recht van een Staat die Partij is, of in het
internationale recht dat voor die Staat van kracht is. Het is niet toegestaan
enig mensenrecht dat, of fundamentele vrijheid die in een Staat die Partij is
bij dit Verdrag, ingevolge wettelijke bepalingen, overeenkomsten, voorschriften
of gewoonten wordt erkend of bestaat, te beperken of ervan af te wijken, onder
voorwendsel dat dit Verdrag die rechten of vrijheden niet of in mindere mate
erkent.
5. De bepalingen van dit Verdrag strekken zich zonder beperking of uitzondering
uit tot alle delen van federale Staten.
Artikel 5 Gelijkheid en non-discriminatie
1. De Staten die Partij zijn, erkennen dat eenieder
gelijk is voor de wet en zonder aanziens des persoons recht heeft op dezelfde
bescherming door, en hetzelfde voordeel van de wet.
2. De Staten die Partij zijn, verbieden alle discriminatie op grond van handicap
en garanderen personen met een handicap op voet van gelijkheid effectieve
wettelijke bescherming tegen discriminatie op welke grond dan ook.
3. Teneinde gelijkheid te bevorderen en discriminatie uit te bannen, nemen de
Staten die Partij zijn alle passende maatregelen om te waarborgen dat redelijke
aanpassingen worden verricht.
4. Specifieke maatregelen die nodig zijn om de feitelijke gelijkheid van
personen met een handicap te bespoedigen of verwezenlijken, worden niet
aangemerkt als discriminatie in de zin van dit Verdrag.
Artikel 6 Vrouwen met een handicap
1. De Staten die Partij zijn erkennen dat vrouwen en
meisjes met een handicap onderworpen zijn aan meervoudige discriminatie en nemen
in dat verband maatregelen om hen op voet van gelijkheid het volledige genot van
alle mensenrechten en fundamentele vrijheden te garanderen.
2. De Staten die Partij zijn nemen alle passende maatregelen om de volledige
ontwikkeling, positieverbetering en mondigheid van vrouwen te waarborgen,
teneinde hen de uitoefening en het genot van de mensenrechten en fundamentele
vrijheden, vervat in dit Verdrag, te garanderen.
Artikel 7 Kinderen met een handicap
1. De Staten die Partij zijn nemen alle nodige
maatregelen om te waarborgen dat kinderen met een handicap op voet van
gelijkheid met andere kinderen ten volle alle mensenrechten en fundamentele
vrijheden genieten.
2. Bij alle beslissingen betreffende kinderen met een handicap vormen de
belangen van het kind de eerste overweging.
3. De Staten die Partij zijn waarborgen dat kinderen met een handicap het recht
hebben vrijelijk blijk te geven van hun opvattingen over alle aangelegenheden
die hen betreffen, waarbij op voet van gelijkheid met andere kinderen en in
overeenstemming met hun leeftijd en ontwikkeling naar behoren rekening wordt
gehouden met hun opvattingen en waarbij zij bij hun handicap en leeftijd
passende ondersteuning krijgen om dat recht te realiseren.
Artikel 8 Bevordering van bewustwording
1. De Staten die Partij zijn verplichten zich
onmiddellijke, doeltreffende en passende maatregelen te nemen:
a. teneinde binnen de gehele maatschappij, waaronder ook op gezinsniveau, de
bewustwording te bevorderen ten aanzien van personen met een handicap, en de
eerbiediging van de rechten en waardigheid van personen met een handicap te
stimuleren;
b. om op alle terreinen van het leven stigmatisering, vooroordelen en
schadelijke praktijken ten opzichte van personen met een handicap te bestrijden,
met inbegrip van die gebaseerd op grond van sekse en leeftijd;
c. om de bewustwording van de capaciteiten en bijdragen van personen met een
handicap te bevorderen.
2. Maatregelen daartoe omvatten:
a. het initiëren en handhaven van effectieve bewustwordingscampagnes om:
i. ervoor zorg te dragen dat de samenleving openstaat voor de
rechten van personen met een handicap;
ii. een positieve beeldvorming van, en grotere sociale
bewustwording ten opzichte van personen met een handicap te bevorderen;
iii. de erkenning van de vaardigheden, verdiensten en
talenten van personen met een handicap en van hun bijdragen op de werkplek en
arbeidsmarkt te bevorderen;
b. het op alle niveaus van het onderwijssysteem, dus ook onder jonge kinderen,
bevorderen van een respectvolle houding ten opzichte van de rechten van personen
met een handicap;
c. het aanmoedigen van alle onderdelen van de media, personen met een handicap
te portretteren op een wijze die verenigbaar is met het doel van dit Verdrag;
d. het aanmoedigen van het organiseren van programma’s voor
bewustwordingstrainingen met betrekking tot personen met een handicap en de
rechten van personen met een handicap.
Artikel 9 Toegankelijkheid
1. Teneinde personen met een handicap in staat te stellen
zelfstandig te leven en volledig deel te nemen aan alle facetten van het leven,
nemen de Staten die Partij zijn passende maatregelen om personen met een
handicap op voet van gelijkheid met anderen de toegang te garanderen tot de
fysieke omgeving, tot vervoer, informatie en communicatie, met inbegrip van
informatie-en communicatietechnologieën en –systemen, en tot andere
voorzieningen en diensten die openstaan voor, of verleend worden aan het
publiek, in zowel stedelijke als landelijke gebieden. Deze maatregelen, die mede
de identificatie en bestrijding van obstakels en barrières voor de
toegankelijkheid omvatten, zijn onder andere van toe- passing op:
a. gebouwen, wegen, vervoer en andere voorzieningen in gebouwen en daarbuiten,
met inbegrip van scholen, huisvesting, medische voorzieningen en werkplekken;
b. informatie, communicatie en andere diensten, met inbegrip van elektronische
diensten en nooddiensten.
2. De Staten die Partij zijn nemen tevens passende maatregelen om:
a. de implementatie van minimumnormen en richtlijnen voor de toegankelijkheid
van faciliteiten en diensten die openstaan voor, of verleend worden aan het
publiek, te ontwikkelen, af te kondigen en te monitoren;
b. te waarborgen dat private instellingen die faciliteiten en diensten die
openstaan voor, of verleend worden aan het publiek aanbieden, zich rekenschap
geven van alle aspecten van de toegankelijkheid voor personen met een handicap;
c. betrokkenen te trainen inzake kwesties op het gebied van de toegankelijkheid
waarmee personen met een handicap geconfronteerd worden;
d. openbare gebouwen en andere faciliteiten te voorzien van bewegwijzering in
braille en in makkelijk te lezen en te begrijpen vormen;
e. te voorzien in vormen van hulp en bemiddeling door mensen, met inbegrip van
begeleiders, mensen die voorlezen en professionele doventolken om de toegang tot
gebouwen en andere faciliteiten, die openstaan voor het publiek te faciliteren;
f. andere passende vormen van hulp en ondersteuning aan personen met een
handicap te bevorderen, teneinde te waarborgen dat zij toegang hebben tot
informatie;
g. de toegang voor personen met een handicap tot nieuwe informatieen
communicatietechnologieën en -systemen, met inbegrip van het internet, te
bevorderen;
h. het ontwerp, de ontwikkeling, productie en distributie van toegankelijke
informatie-en communicatietechnologieën, en communicatiesystemen in een vroeg
stadium te bevorderen, opdat deze technologieën en systemen tegen minimale
kosten toegankelijk worden.
Artikel 10 Recht op leven
De Staten die Partij zijn bevestigen opnieuw dat eenieder
beschikt over het inherente recht op leven en nemen alle noodzakelijke
maatregelen om te waarborgen dat personen met een handicap dat op voet van
gelijkheid met anderen ten volle kunnen genieten.
Artikel 11 Risicovolle situaties en humanitaire
noodsituaties
De Staten die Partij zijn nemen in overeenstemming met
hun verplichtingen uit hoofde van het internationale recht, met inbegrip van het
internationale humanitaire recht en internationale mensenrechtenverdragen alle
nodige maatregelen om de bescherming en veiligheid van personen met een handicap
in risicovolle situaties, met inbegrip van gewapende conflicten, humanitaire
noodsituaties en natuurrampen, te waarborgen.
Artikel 12 Gelijkheid voor de wet
1. De Staten die Partij zijn bevestigen opnieuw dat
personen met een handicap overal als persoon erkend worden voor de wet.
2. De Staten die Partij zijn erkennen dat personen met een handicap op voet van
gelijkheid met anderen in alle aspecten van het leven handelingsbekwaam zijn.
3. De Staten die Partij zijn nemen passende maatregelen om personen met een
handicap toegang te verschaffen tot de ondersteuning die zij mogelijk behoeven
bij de uitoefening van hun handelingsbekwaamheid.
4. De Staten die Partij zijn waarborgen dat alle maatregelen die betrekking
hebben op de uitoefening van handelingsbekwaamheid, voorzien in passende en
doeltreffende waarborgen in overeenstemming met het internationale recht inzake
de mensenrechten om misbruik te voorkomen. Deze waarborgen dienen te verzekeren
dat maatregelen met betrekking tot de uitoefening van handelingsbekwaamheid de
rechten, wil en voorkeuren van de desbetreffende persoon respecteren, vrij zijn
van conflicterende belangen of onbehoorlijke beïnvloeding, proportioneel zijn
en toegesneden op de omstandigheden van de persoon in kwestie, van toepassing
zijn gedurende een zo kort mogelijke periode en onderworpen zijn aan een
regelmatige beoordeling door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige
autoriteit of gerechtelijke instantie. De waarborgen dienen evenredig te zijn
aan de mate waarin deze maatregelen van invloed zijn op de rechten en belangen
van de persoon in kwestie.
5. Met inachtneming van de bepalingen van dit artikel nemen de Staten die Partij
zijn alle passende en doeltreffende maatregelen om de gelijke rechten te
garanderen van personen met een handicap op eigendom of het erven van vermogen
en te waarborgen dat zij hun eigen financiële zaken kunnen behartigen en op
voet van gelijkheid toegang hebben tot bankleningen, hypotheken en andere vormen
van financiële kredietverstrekking en verzekeren zij dat het vermogen van
personen met een handicap hen niet willekeurig wordt ontnomen.
Artikel 13 Toegang tot de rechter
1. De Staten die Partij zijn waarborgen personen met een
handicap op voet van gelijkheid met anderen de toegang tot een rechterlijke
instantie, met inbegrip van procedurele en leeftijdsconforme voorzieningen,
teneinde hun effectieve rol als directe en indirecte partij, waaronder als
getuige, in alle juridische procedures, met inbegrip van de onderzoeksfase en
andere voorbereidende fasen, te faciliteren.
2. Teneinde effectieve toegang tot rechterlijke instanties voor personen met een
handicap te helpen waarborgen, bevorderen de Staten die Partij zijn passende
training voor diegenen die werkzaam zijn in de rechtsbedeling, met inbegrip van
medewerkers van politie en het gevangeniswezen.
Artikel 14 Vrijheid en veiligheid van de persoon
1. De Staten die Partij zijn waarborgen dat personen met
een handicap op voet van gelijkheid met anderen:
a. het recht op vrijheid en veiligheid van hun persoon genieten;
b. niet onrechtmatig of willekeurig van hun vrijheid worden beroofd, en dat
iedere vorm van vrijheidsontneming geschiedt in overeenstemming met de wet, en
dat het bestaan van een handicap in geen geval vijheidsontneming rechtvaardigt.
2. De Staten die Partij zijn waarborgen dat indien personen met een handicap op
grond van enig proces van hun vrijheid worden beroofd, zij op voet van
gelijkheid met anderen recht hebben op de waarborgen in overeenstemming met
internationale mensenrechtenverdragen en in overeenstemming met de
doelstellingen en beginselen van dit Verdrag worden behandeld, met inbegrip van
de verschaffing van redelijke aanpassingen.
Artikel 15 Vrijwaring van foltering en andere wrede,
onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing
1. Niemand zal worden onderworpen aan folteringen of aan
wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. In het
bijzonder zal niemand zonder zijn of haar in vrijheid gegeven toestemming worden
onderworpen aan medische of wetenschappelijke experimenten.
2. De Staten die Partij zijn nemen alle doeltreffende wetgevende, bestuurlijke,
juridische of andere maatregelen om, op gelijke wijze als voor anderen, te
voorkomen dat personen met een handicap worden onderworpen aan folteringen of
aan wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
Artikel 16 Vrijwaring van uitbuiting, geweld en misbruik
1. De Staten die Partij zijn nemen alle passende
wetgevende, bestuurlijke, sociale, educatieve en andere maatregelen om personen
met een handicap, zowel binnen-als buitenshuis, te beschermen tegen alle vormen
van uitbuiting, geweld en misbruik, met inbegrip van de op sekse gebaseerde
aspecten daarvan.
2. De Staten die Partij zijn nemen voorts alle passende maatregelen om alle
vormen van uitbuiting, geweld en misbruik te voorkomen door voor personen met
een handicap, hun gezinnen en verzorgers onder andere passende vormen van op
sekse en leeftijd toegesneden hulp en ondersteuning te waarborgen, met inbegrip
van het verschaffen van informatie en scholing omtrent het voorkomen, herkennen
en melden van uitbuiting, geweld en misbruik. De Staten die Partij zijn
waarborgen dat de dienstverlening op het gebied van bescherming is toegesneden
op leeftijd, sekse en handicap.
3. Teneinde alle vormen van uitbuiting, geweld en misbruik te voorkomen,
waarborgen de Staten die Partij zijn, dat alle faciliteiten en programma’s die
zijn ontwikkeld om personen met een handicap te dienen, effectief worden
gemonitord door onafhankelijke autoriteiten.
4. De Staten die Partij zijn nemen alle passende maatregelen om het fysieke,
cognitieve en psychologische herstel, de rehabilitatie en de terugkeer in de
maatschappij van personen met een handicap die het slachtoffer zijn van enige
vorm van uitbuiting, geweld of misbruik te bevorderen, waaronder door middel van
het verschaffen van dienstverlening op het gebied van bescherming. Het herstel
en de terugkeer dienen plaats te vinden in een omgeving die bevorderlijk is voor
de gezondheid, het welzijn, het zelfrespect, de waardigheid en autonomie van de
persoon en houden rekening met sekse-en leeftijd-specifieke behoeften.
5. De Staten die Partij zijn implementeren doeltreffende wetgeving en
doeltreffend beleid, met inbegrip van wetgeving en beleid, specifiek gericht op
vrouwen en kinderen, om te waarborgen dat gevallen van uitbuiting, geweld en
misbruik van personen met een handicap worden geïdentificeerd en onderzocht en,
indien daartoe aanleiding bestaat, waar aangewezen, strafrechtelijk worden
vervolgd.
Artikel 17 Bescherming van de persoonlijke integriteit
Elke persoon met een handicap heeft op voet van
gelijkheid met anderen recht op eerbiediging van zijn lichamelijke en
geestelijke integriteit.
Artikel 18 Vrijheid van verplaatsing en nationaliteit
1. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van
personen met een handicap, op voet van gelijkheid met anderen, zich vrijelijk te
verplaatsen, vrijelijk hun verblijfplaats te kiezen en het recht op een
nationaliteit, onder andere door te waarborgen dat personen met een handicap:
a. het recht hebben een nationaliteit te verwerven en daarvan te veranderen en
dat hun nationaliteit hen niet op willekeurige gronden of op grond van hun
handicap wordt ontnomen;
b. niet op grond van hun handicap beroofd worden van de mogelijkheid om
documenten inzake hun nationaliteit of identiteit te verwerven, bezitten en
gebruiken, of om gebruik te maken van procedures dienaangaande, zoals
immigratieprocedures die nodig kunnen zijn om de uitoefening van het recht zich
vrijelijk te verplaatsen, te faciliteren;
c. vrij zijn welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten;
d. niet willekeurig of op grond van hun handicap het recht wordt onthouden hun
eigen land binnen te komen.
2. Kinderen met een handicap worden onverwijld na hun geboorte ingeschreven en
hebben vanaf hun geboorte recht op een naam, het recht een nationaliteit te
verwerven en, voor zover mogelijk, het recht hun ouders te kennen en door hen te
worden verzorgd.
Artikel 19 Zelfstandig wonen en deel uitmaken van de
maatschappij
De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag erkennen het
gelijke recht van alle personen met een handicap om in de maatschappij te wonen
met dezelfde keuzemogelijkheden als anderen en nemen doeltreffende en passende
maatregelen om het personen met een handicap gemakkelijker te maken dit recht
ten volle te genieten en volledig deel uit te maken van, en te participeren in
de maatschappij, onder meer door te waarborgen dat:
a. personen met een handicap de kans hebben, op voet van gelijkheid met anderen,
vrijelijk hun verblijfplaats te kiezen, alsmede waar en met wie zij leven, en
niet verplicht zijn te leven in een bepaalde leefregeling;
b. personen met een handicap toegang hebben tot een reeks van thuis, residentiële
en andere maatschappij-ondersteunende diensten, waaronder persoonlijke
assistentie, noodzakelijk om het wonen en de opname in de maatschappij te
ondersteunen en isolatie of uitsluiting uit de maatschappij te voorkomen;
c. de maatschappijdiensten en –faciliteiten voor het algemene publiek op voet
van gelijkheid beschikbaar zijn voor personen met een handicap en beantwoorden
aan hun behoeften.
Artikel 20 Persoonlijke mobiliteit
De Staten die Partij zijn nemen alle effectieve
maatregelen om de persoonlijke mobiliteit van personen met een handicap met de
grootst mogelijke mate van zelfstandigheid te waarborgen onder meer door:
a. de persoonlijke mobiliteit van personen met een handicap te faciliteren op de
wijze en op het tijdstip van hun keuze en tegen een betaalbare prijs;
b. de toegang voor personen met een handicap tot hoogwaardige
mobiliteitshulpmiddelen, -instrumenten, ondersteunende technologieën en vormen
van assistentie en bemiddeling door mensen te faciliteren, onder meer door deze
beschikbaar te maken tegen een betaalbare prijs;
c. personen met een handicap en gespecialiseerd personeel dat met personen met
een handicap werkt, training in mobiliteitsvaardigheden te verschaffen;
d. instellingen die mobiliteitshulpmiddelen, -instrumenten en ondersteunende
technologieën produceren, aan te moedigen rekening te houden met alle aspecten
van mobiliteit voor personen met een handicap.
Artikel 21 Vrijheid van mening en meningsuiting en
toegang tot informatie
De Staten die Partij zijn nemen alle passende maatregelen
om te waarborgen dat personen met een handicap het recht op vrijheid van mening
en meningsuiting kunnen uitoefenen, met inbegrip van de vrijheid om op voet van
gelijkheid met anderen informatie en denkbeelden te vergaren, te ontvangen en te
verstrekken middels elk communicatiemiddel van hun keuze, zoals omschreven in
artikel 2 van dit Verdrag, onder meer door:
a. personen met een handicap tijdig en zonder extra kosten voor het publiek
bedoelde informatie te verschaffen in toegankelijke vormen en technologieën,
geschikt voor de verschillende soorten handicaps;
b. het aanvaarden en faciliteren van het gebruik van gebarentalen, braille,
ondersteunende communicatie en alternatieve vormen van communicatie en alle
andere toegankelijke middelen, communicatiemogelijkheden en –formats naar
keuze van personen met een handicap in officiële contacten;
c. private instellingen die diensten verlenen aan het publiek, ook via het
internet, aan te sporen informatie en diensten ook in voor personen met een
handicap toegankelijke en bruikbare vorm te verlenen;
d. de massamedia, met inbegrip van informatieverstrekkers via het internet, aan
te moedigen hun diensten toegankelijk te maken voor personen met een handicap;
e. het gebruik van gebarentalen te erkennen en te bevorderen.
Artikel 22 Eerbiediging van de privacy
1. Geen enkele persoon met een handicap, ongeacht zijn of
haar woonplaats of woonsituatie, zal worden blootgesteld aan willekeurige of
onrechtmatige inmenging in zijn of haar privé-leven, gezinsleven, woning of
correspondentie, of andere vormen van communicatie, of aan onrechtmatige
aantasting van zijn of haar eer en reputatie. Personen met een handicap hebben
recht op wettelijke bescherming tegen dergelijke vormen van inmenging of
aantasting.
2. De Staten die Partij zijn beschermen de privacy van personen met een handicap
met betrekking tot persoonsgegevens en informatie omtrent hun gezondheid en
revalidatie op voet van gelijkheid met anderen.
Artikel 23 Eerbiediging van de woning en het gezinsleven
1. De Staten die Partij zijn nemen doeltreffende en
passende maatregelen om discriminatie van personen met een handicap uit te
bannen op het gebied van huwelijk, gezinsleven, ouderschap en relaties op voet
van gelijkheid met anderen, teneinde te waarborgen dat:
a. het recht van alle personen met een handicap van huwbare leeftijd om in
vrijheid en met volledige instemming van de beide partners in het huwelijk te
treden en een gezin te stichten, wordt erkend;
b. de rechten van personen met een handicap om in vrijheid en bewust te
beslissen over het gewenste aantal kinderen en geboortespreiding en op toegang
tot leeftijdsrelevante informatie, voorlichting over reproductieve gezondheid en
geboorteplanning worden erkend en dat zij worden voorzien van de noodzakelijke
middelen om deze rechten te kunnen uitoefenen;
c. personen met een handicap, met inbegrip van kinderen, op voet van gelijkheid
met anderen hun vruchtbaarheid behouden.
2. De Staten die Partij zijn waarborgen de rechten en verantwoordelijkheden van
personen met een handicap, met betrekking tot de voogdij, curatele,
zaakwaarneming, adoptie van kinderen of soortgelijke instituties, indien deze
begrippen voorkomen in de nationale wetgeving; in alle gevallen dienen de
belangen van het kind voorop te staan. De Staten die Partij zijn verlenen
passende hulp aan personen met een handicap bij het verrichten van hun
verantwoordelijkheden op het gebied van de verzorging en opvoeding van hun
kinderen.
3. De Staten die Partij zijn waarborgen dat kinderen met een handicap gelijke
rechten hebben op het gebied van het familieleven. Teneinde deze rechten te
realiseren en te voorkomen dat kinderen met een handicap worden verborgen,
verstoten, verwaarloosd of buitengesloten, verplichten de Staten die Partij zijn
zich tijdige en uitvoerige informatie, diensten en ondersteuning te bieden aan
kinderen met een handicap en hun families.
4. De Staten die Partij zijn waarborgen dat een kind niet tegen zijn wil of die
van de ouders van hen wordt gescheiden, tenzij de bevoegde autoriteiten,
onderworpen aan rechterlijke toetsing, in overeenstemming met de toepasselijke
wet en procedures bepalen dat zulks noodzakelijk is in het belang van het kind.
In geen geval zal een kind van zijn ouders worden gescheiden op grond van een
handicap van het kind of die van een of beide ouders.
5. De Staten die Partij zijn stellen alles in het werk om, indien de naaste
familieleden niet in staat zijn voor een kind met een handicap te zorgen,
alternatieve zorg te bewerkstelligen binnen de ruimere familiekring en bij
ontbreken daarvan in een gezinsvervangend verband binnen de gemeenschap.
Artikel 24 Onderwijs
1. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van
personen met een handicap op onderwijs.
Teneinde dit recht zonder discriminatie en op basis van gelijke kansen te
verwezenlijken, waarborgen Staten die Partij zijn een inclusief onderwijssysteem
op alle niveaus en voorzieningen voor een leven lang leren en wel met de
volgende doelen:
a. de volledige ontwikkeling van het menselijk potentieel en het gevoel van
waardigheid en eigenwaarde en de versterking van de eerbiediging van
mensenrechten, fundamentele vrijheden en de menselijke diversiteit;
b. de optimale ontwikkeling door personen met een handicap van hun
persoonlijkheid, talenten en creativiteit, alsmede hun mentale en fysieke
mogelijkheden, naar staat van vermogen; c. het in staat stellen van personen met
een handicap om effectief te participeren in een vrije maatschappij.
2. Bij de verwezenlijking van dit recht waarborgen de Staten die Partij zijn
dat:
a. personen met een handicap niet op grond van hun handicap worden uitgesloten
van het algemene onderwijssysteem, en dat kinderen met een handicap niet op
grond van hun handicap worden uitgesloten van gratis en verplicht basisonderwijs
of van het voortgezet onderwijs;
b. personen met een handicap toegang hebben tot inclusief, hoogwaardig en gratis
basisonderwijs en tot voortgezet onderwijs en wel op basis van gelijkheid met
anderen in de gemeenschap waarin zij leven;
c. redelijke aanpassingen worden verschaft naar gelang de behoefte van de
persoon in kwestie;
d. personen met een handicap, binnen het algemene onderwijssysteem, de
ondersteuning ontvangen die zij nodig hebben om effectieve deelname aan het
onderwijs te faciliteren;
e. doeltreffende, op het individu toegesneden, ondersteunende maatregelen worden
genomen in omgevingen waarin de cognitieve en sociale ontwikkeling wordt
geoptimaliseerd, overeenkomstig het doel van onderwijs waarbij niemand wordt
uitgesloten.
3. De Staten die Partij zijn stellen personen met een handicap in staat
praktische en sociale vaardigheden op te doen, teneinde hun volledige deelname
aan het onderwijs en als leden van de gemeenschap op voet van gelijkheid te
faciliteren. Daartoe nemen de Staten die Partij zijn passende maatregelen,
waaronder:
a. het faciliteren van het leren van braille, alternatieve schrijfwijzen, het
gebruik van ondersteunende en alternatieve communicatiemethoden, -middelen en
-vormen, alsmede het opdoen van vaardigheden op het gebied van oriëntatie en
mobiliteit en het faciliteren van ondersteuning en begeleiding door lotgenoten;
b. het leren van gebarentaal faciliteren en de taalkundige identiteit van de
gemeenschap van doven bevorderen;
c. waarborgen dat het onderwijs voor personen, en in het bijzonder voor
kinderen, die blind, doof of doofblind zijn, plaatsvindt in de talen en met de
communicatiemethoden en -middelen die het meest geschikt zijn voor de
desbetreffende persoon en in een omgeving waarin hun cognitieve en sociale
ontwikkeling worden geoptimaliseerd.
4. Teneinde te helpen waarborgen dat dit recht verwezenlijkt kan worden, nemen
de Staten die Partij zijn passende maatregelen om leerkrachten aan te stellen,
met inbegrip van leerkrachten met een handicap, die zijn opgeleid voor
gebarentaal en/of braille, en leidinggevenden en medewerkers op te leiden die op
alle niveaus van het onderwijs werkzaam zijn. Bij deze opleiding moeten de
studenten worden getraind in het omgaan met personen met een handicap en het
gebruik van de desbetreffende ondersteunende communicatie en andere methoden,
middelen en vormen van en voor communicatie, onderwijstechnieken en materialen
om personen met een handicap te ondersteunen.
5. De Staten die Partij zijn waarborgen dat personen met een handicap, zonder
discriminatie en op voet van gelijkheid met anderen, toe- gang verkrijgen tot
algemeen universitair en hoger beroepsonderwijs, beroepsonderwijs,
volwasseneneducatie en een leven lang leren. Daartoe waarborgen de Staten die
Partij zijn dat redelijke aanpassingen worden verschaft aan personen met een
handicap.
Artikel 25 Gezondheid
De Staten die Partij zijn erkennen dat personen met een
handicap zonder discriminatie op grond van hun handicap recht hebben op het
genot van het hoogst haalbare niveau van gezondheid. De Staten die Partij zijn
nemen alle passende maatregelen om personen met een handicap de toe- gang te
waarborgen tot diensten op het gebied van seksespecifieke gezondheidszorg, met
inbegrip van revalidatie. In het bijzonder zullen de Staten die Partij zijn:
a. personen met een handicap voorzien van hetzelfde aanbod met dezelfde
kwaliteit en volgens dezelfde normen voor gratis of betaalbare gezondheidszorg
en –programma’s die aan anderen worden verstrekt, waaronder op het gebied
van seksuele en reproductieve gezondheid, en op de populatie toegesneden
programma’s op het gebied van volkgezondheid;
b. die diensten op het gebied van gezondheidszorg verschaffen die personen met
een handicap in het bijzonder vanwege hun handicap behoeven, waaronder
vroegtijdig opsporen en, zonodig, ingrijpen, diensten om het ontstaan van nieuwe
handicaps te beperken en te voorkomen, ook onder kinderen en ouderen;
c. deze gezondheidsdiensten zo dicht mogelijk bij de eigen gemeenschap van de
mensen verschaffen, ook op het platteland;
d. van vakspecialisten in de gezondheidszorg eisen dat zij aan personen met een
handicap zorg van dezelfde kwaliteit verlenen als aan anderen, met name dat zij
de in vrijheid, op basis van goede informatie, gegeven toestemming verkrijgen
van de betrokken gehandicapte, door onder andere het bewustzijn bij het
personeel van de mensenrechten, waardigheid, autonomie en behoeften van personen
met een handicap te vergroten door middel van training en het vaststellen van
ethische normen voor de publieke en private gezondheidszorg;
e. discriminatie van personen met een handicap bij de acceptatie voor een
ziektekostenverzekering en levensverzekering verbieden, indien een dergelijke
verzekering is toegestaan volgens het nationale recht en op basis van
redelijkheid en billijkheid wordt verstrekt;
f. voorkomen dat gezondheidszorg, gezondheidsdiensten, voedsel en vloeistoffen
op discriminatoire gronden vanwege een handicap worden ontzegd.
Artikel 26 Habilitatie en revalidatie
1. Staten die Partij zijn nemen doeltreffende en passende
maatregelen, onder andere via ondersteuning door lotgenoten, om personen met een
handicap in staat te stellen de maximaal mogelijke onafhankelijkheid, fysieke,
mentale, sociale en beroepsmatige vaardigheden te verwerven en volledige opname
in en participatie in alle aspecten van het leven. Daartoe organiseren en
versterken de Staten die Partij zijn uitgebreide diensten en programma’s op
het gebied van habilitatie en revalidatie en breiden zij deze uit, met name op
het gebied van gezondheid, werkgelegenheid, onderwijs en sociale diensten en wel
zodanig dat deze diensten en programma’s:
a. in een zo vroeg mogelijk stadium beginnen en gebaseerd zijn op een
multidisciplinaire inventarisatie van de behoeften en mogelijkheden van de
persoon in kwestie;
b. de participatie in en opname in de gemeenschap en alle aspecten van de
samenleving ondersteunen, vrijwillig zijn en beschikbaar zijn voor personen met
een handicap, zo dicht mogelijk bij hun eigen gemeenschappen, ook op het
platteland.
2. De Staten die Partij zijn stimuleren de ontwikkeling van basis-en
vervolgtrainingen voor vakspecialisten en personeel dat werkzaam is in de
dienstverlening op het gebied van habilitatie en revalidatie. 3. De Staten die
Partij zijn stimuleren de beschikbaarheid, kennis en het gebruik van
ondersteunende instrumenten en technologieën die zijn ontworpen voor personen
met een handicap, voor zover zij betrekking hebben op habilitatie en
revalidatie.
Artikel 27 Werk en werkgelegenheid
1. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van
personen met een handicap op werk, op voet van gelijkheid met anderen; dit omvat
het recht op de mogelijkheid in het levensonderhoud te voorzien door mid- del
van in vrijheid gekozen of aanvaard werk op een arbeidsmarkt en in een
werkomgeving die open zijn, waarbij niemand wordt uitgesloten, en die
toegankelijk zijn voor personen met een handicap. De Staten die Partij zijn
waarborgen en bevorderen de verwezenlijking van het recht op werk, met inbegrip
van personen die gehandicapt raken tijdens de uitoefening van hun functie, door
het nemen van passende maatregelen, onder meer door middel van wetgeving,
teneinde onder andere:
a. discriminatie op grond van handicap te verbieden met betrekking tot alle
aangelegenheden betreffende alle vormen van werkgelegenheid, waaronder
voorwaarden voor de werving, aanstelling en indiensttreding, voortzetting van
het dienstverband, carrièremogelijkheden en een veilige en gezonde
werkomgeving;
b. het recht van personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen te
beschermen op rechtvaardige en gunstige arbeidsomstandigheden, met inbegrip van
gelijke kansen en gelijke beloning voor werk van gelijke waarde, een veilige en
gezonde werkomgeving, waaronder bescherming tegen intimidatie, alsmede de
mogelijkheid tot rechtsherstel bij grieven;
c. te waarborgen dat personen met een handicap hun arbeids-en vakbondsrechten op
voet van gelijkheid met anderen kunnen uitoefenen;
d. personen met een handicap in staat te stellen effectieve toegang te krijgen
tot technische en algemene beroepskeuzevoorlichtingsprogramma’s,
arbeidsbemiddeling, beroepsonderwijs en vervolgopleidingen;
e. de kans op werk en carrièremogelijkheden voor personen met een handicap op
de arbeidsmarkt te bevorderen, alsmede hen te ondersteunen bij het vinden,
verwerven en behouden van werk, dan wel de terugkeer naar werk;
f. de kansen te bevorderen om te werken als zelfstandige, op het
ondernemerschap, het ontwikkelen van samenwerkingverbanden en een eigen bedrijf
te beginnen;
g. personen met een handicap in dienst te nemen in de publieke sector;
h. de werkgelegenheid voor personen met een handicap in de private sector te
bevorderen door middel van passend beleid en passende maatregelen, waaronder
voorkeursbeleid, aanmoedigingspremies en andere maatregelen;
i. te waarborgen dat op de werkplek wordt voorzien in redelijke aanpassingen
voor personen met een handicap;
j. te bevorderen dat personen met een handicap werkervaring kunnen opdoen op de
vrije arbeidsmarkt;
k. de beroepsmatige en professionele re-integratie van en programma’s ten
behoeve van het behoud van hun baan en terugkeer naar werk voor personen met een
handicap te bevorderen.
2. De Staten die Partij zijn waarborgen dat personen met een handicap niet in
slavernij worden gehouden of anderszins worden gedwongen tot het verrichten van
arbeid en op voet van gelijkheid met anderen worden beschermd tegen gedwongen of
verplichte arbeid.
Artikel 28 Behoorlijke levensstandaard en sociale
bescherming
1. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van
personen met een handicap op een behoorlijke levensstandaard voor henzelf en
voor hun gezinnen, met inbegrip van voldoende voeding, kleding en huisvesting en
op de voortdurende verbetering van hun levensomstandigheden, en nemen passende
maatregelen om de verwezenlijking van dit recht zonder discriminatie op grond
van handicap te beschermen en te bevorderen.
2. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van personen met een handicap op
sociale bescherming en op het genot van dat recht zonder discriminatie op grond
van handicap, en nemen passende maatregelen om de verwezenlijking van dat recht
te waarborgen en te stimuleren, met inbegrip van maatregelen om:
a. de gelijke toegang voor personen met een handicap tot voorzieningen op het
gebied van schoon water te waarborgen, alsmede toegang te waarborgen tot
passende en betaalbare diensten, instrumenten en andere vormen van ondersteuning
voor aan de handicap gerelateerde behoeften;
b. de toegang voor personen met een handicap, in het bijzonder voor vrouwen,
meisjes en ouderen met een handicap, tot programma’s ten behoeve van sociale
bescherming en het terugdringen van de armoede te waarborgen;
c. voor personen met een handicap en hun gezinnen die in armoede leven de
toegang tot hulp van de Staat te waarborgen, voor aan de handicap gerelateerde
kosten, met inbegrip van adequate training, advise- ring, financiële hulp en
respijtzorg;
d. de toegang voor personen met een handicap te waarborgen tot
volkshuisvestingsprogramma’s;
e. de toegang voor personen met een handicap te waarborgen tot
pensioensuitkeringen en -programma’s.
Artikel 29 Participatie in het politieke en openbare
leven
De Staten die Partij zijn garanderen personen met een
handicap politieke rechten en de mogelijkheid deze op voet van gelijkheid met
anderen te genieten, en verplichten zich:
a. te waarborgen dat personen met een handicap effectief en ten volle kunnen
participeren in het politieke en openbare leven, hetzij rechtstreeks, hetzij via
in vrijheid gekozen vertegenwoordigers, met inbegrip van het recht, en de
gelegenheid, voor personen met een handicap hun stem uit te brengen en gekozen
te worden, onder andere door:
i. te waarborgen dat de stemprocedures,
-faciliteiten en voorzieningen adequaat, toegankelijk en gemakkelijk te
begrijpen en te gebruiken zijn;
ii. het recht van personen met een handicap te
beschermen om in het geheim hun stem uit te brengen bij verkiezingen en
publieksreferenda zonder intimidatie en om zich
verkiesbaar te stellen, op alle niveaus van de overheid een functie te bekleden
en alle open- bare taken uit te oefenen, waarbij het gebruik van ondersteunende
en nieuwe technologieën, indien van toepassing, wordt gefaciliteerd;
iii. de vrije wilsuiting van personen met een handicap als
kiezers te waarborgen en daartoe, waar nodig, op hun verzoek ondersteuning toe
te staan bij het uitbrengen van hun stem
door een per- soon van hun
eigen keuze;
b. actief een omgeving te bevorderen waarin personen met een handicap effectief
en ten volle kunnen participeren in de uitoefening van openbare functies, zonder
discriminatie en op voet van gelijkheid met anderen en hun participatie in
publieke aangelegenheden aan te moedigen, waaronder:
i. de participatie in non-gouvernementele organisaties en
verenigingen die zich bezighouden met het openbare en politieke leven in het
land en in de activiteiten en het bestuur van politieke partijen;
ii. het oprichten en zich aansluiten bij organisaties van
personen met een handicap die personen met een handicap vertegenwoordigen op
internationaal, nationaal, regionaal en lokaal niveau.
Artikel 30 Deelname aan het culturele leven, recreatie,
vrijetijdsbesteding en sport
1. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van
personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen deel te nemen aan
het culturele leven en nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat
personen met een handicap:
a. toegang hebben tot cultuuruitingen in toegankelijke vorm;
b. toegang hebben tot televisieprogramma’s, films, theater en andere culturele
activiteiten in toegankelijke vorm;
c. toegang hebben tot plaatsen voor culturele uitvoeringen of diensten, zoals
theaters, musea, bioscopen, bibliotheken en dienstverlening op het gebied van
toerisme en zo veel mogelijk toegang tot monumenten en plaatsen van nationaal
cultureel belang.
2. De Staten die Partij zijn nemen alle passende maatregelen om personen met een
handicap de kans te bieden hun creatieve, artistieke en intellectuele potentieel
te ontwikkelen en gebruiken, niet alleen ten eigen bate maar ook ter verrijking
van de maatschappij.
3. De Staten die Partij zijn nemen alle passende maatregelen in overeenstemming
met het internationale recht om te waarborgen dat wetgeving ter bescherming van
de intellectuele eigendom geen onredelijke of discriminatoire belemmering vormt
voor de toegang van personen met een handicap tot cultuuruitingen.
4. Personen met een handicap hebben op voet van gelijkheid met anderen recht op
erkenning en ondersteuning van hun specifieke culturele en taalkundige
identiteit, met inbegrip van gebarentalen en de dovencultuur.
5. Teneinde personen met een handicap in staat te stellen op voet van gelijkheid
met anderen deel te nemen aan recreatie, vrijetijdsbesteding en
sportactiviteiten, nemen de Staten die Partij zijn passende maatregelen:
a. teneinde deelname van personen met een handicap aan algemene
sportactiviteiten op alle niveaus zo veel mogelijk aan te moedigen en te
bevorderen;
b. teneinde te waarborgen dat personen met een handicap de kans krijgen
handicapspecifieke sport-en recreatieactiviteiten te organiseren, ontwikkelen en
daaraan deel te nemen en daartoe te bevorderen dat hen op voet van gelijkheid
met anderen passende instructie, training en middelen worden verschaft;
c. teneinde te waarborgen dat personen met een handicap toegang hebben tot
sport-, recreatie-en toeristische locaties;
d. teneinde te waarborgen dat kinderen met een handicap op voet van gelijkheid
met andere kinderen kunnen deelnemen aan spel-, recreatie-, vrijetijds-en
sportactiviteiten, met inbegrip van activiteiten in schoolverband;
e. teneinde te waarborgen dat personen met een handicap toegang hebben tot
diensten van degenen die betrokken zijn bij de organisatie van recreatie-,
toeristische, vrijetijds-en sportactiviteiten.
Artikel 31 Statistieken en het verzamelen van gegevens
1. De Staten die Partij zijn verplichten zich relevante
informatie te verzamelen, met inbegrip van statistische en onderzoeksgegevens,
teneinde hen in staat te stellen beleid te formuleren en te implementeren ter
uitvoering van dit Verdrag. De procedures voor het verzamelen en actualiseren
van deze informatie:
a. dienen te voldoen aan wettelijk vastgestelde waarborgen, met inbegrip van
wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens teneinde de
vertrouwelijkheid en de eerbiediging van de privacy van personen met een
handicap te waarborgen;
b. dienen te voldoen aan internationaal aanvaarde normen ter bescherming van de
rechten van de mens en fundamentele vrijheden en ethische grondbeginselen bij
het verzamelen en gebruik van statistieken.
2. De in overeenstemming met dit artikel verzamelde informatie wordt op passende
wijze gespecificeerd en gebruikt voor de implementatie van de verplichtingen van
de Staten die Partij zijn uit hoofde van dit Verdrag en bij het opsporen en
aanpakken van de belemmeringen waarmee personen met een handicap geconfronteerd
worden bij het uitoefenen van hun rechten. 3. De Staten die Partij zijn
aanvaarden de verantwoordelijkheid voor de verspreiding van deze statistieken en
waarborgen dat deze toegankelijk zijn voor zowel personen met een handicap als
anderen.
Artikel 32 Internationale samenwerking
1. De Staten die Partij zijn onderkennen het belang van
internationale samenwerking en de bevordering daarvan ter ondersteuning van
nationale inspanningen ter verwezenlijking van de doelstellingen van dit
Verdrag, en treffen passende en doeltreffende maatregelen in dit verband tussen
Staten en, waar toepasselijk, in de vorm van een samenwerkingsverband met
relevante internationale en regionale organisaties en het maatschappelijk
middenveld, in het bijzonder organisaties van personen met een handicap. Deze
maatregelen kunnen onder meer bestaan uit:
a. het waarborgen dat internationale samenwerking, met inbegrip van
internationale ontwikkelingsprogramma’s, toegankelijk is voor personen met een
handicap en dat daarbij niemand uitgesloten wordt;
b. het faciliteren en ondersteunen van capaciteitsopbouw, onder meer door het
uitwisselen en delen van informatie, ervaringen, trainings- programma’s en
goede praktijken;
c. het faciliteren van samenwerking bij onderzoek en toegang tot
wetenschappelijke en technische kennis;
d. het waar nodig verschaffen van technische en economische ondersteuning, onder
meer door het faciliteren van de toegang tot en het delen van toegankelijke en
ondersteunende technologieën en door de overdracht van technologieën.
2. De bepalingen van dit artikel laten de verplichtingen uit hoofde van dit
Verdrag van alle Staten die Partij zijn onverlet.
Artikel 33 Nationale implementatie en toezicht
1. De Staten die Partij zijn wijzen binnen hun
bestuurlijke organisatie een of meer contactpunten aan voor aangelegenheden die
betrekking hebben op de uitvoering van dit Verdrag en besteden naar behoren
aandacht aan het instellen van een coördinatiesysteem binnen de overheid
teneinde de maatregelen in verschillende sectoren en op verschillende niveaus te
faciliteren.
2. In overeenstemming met hun rechts-en bestuurssysteem onderhouden en
versterken de Staten die Partij zijn op hun grondgebied een kader, met onder
meer een of twee onafhankelijke instanties, al naargelang van toepassing is, om
de uitvoering van dit Verdrag te bevorderen, te beschermen en te monitoren of
wijzen daarvoor een instantie aan of richten die op. Bij het aanwijzen of
oprichten van een dergelijke instantie houden de Staten die Partij zijn rekening
met de beginselen betreffende de status en het functioneren van nationale
instellingen voor de bescherming en bevordering van de rechten van de mens.
3. Het maatschappelijk middenveld, in het bijzonder personen met een handicap en
de organisaties die hen vertegenwoordigen, wordt betrokken bij en participeert
volledig in het monitoringproces.
Artikel 34 Comité voor de rechten van personen met een
handicap
1. Er wordt een Comité voor de Rechten van Personen met
een Handicap ingesteld (hierna te noemen ,,het Comité’’) dat de hieronder
te noemen functies uitoefent.
2. Het Comité zal, op het tijdstip waarop dit Verdrag in werking treedt,
bestaan uit twaalf deskundigen. Zodra nogmaals zestig Staten het Verdrag hebben
bekrachtigd of ertoe zijn toegetreden, nemen nog zes personen zitting in het
Comité, zodat het maximum aantal leden van 18 wordt bereikt.
3. De leden van het Comité nemen op persoonlijke titel zitting en dienen van
hoog zedelijk aanzien en erkende bekwaamheid, op het gebied dat dit Verdrag
bestrijkt, te zijn. De Staten die Partij zijn worden verzocht bij de voordracht
van hun kandidaten naar behoren rekening te houden met de bepaling vervat in
artikel 4, derde lid, van dit Verdrag.
4. De leden van het Comité worden gekozen door de Staten die Partij zijn,
waarbij rekening wordt gehouden met een billijke geografische spreiding,
vertegenwoordiging van de uiteenlopende beschavingen en van de voornaamste
rechtsstelsels, een evenwichtige verdeling tussen mannen en vrouwen en deelname
door deskundigen met een handicap.
5. De leden van het Comité worden gekozen tijdens vergaderingen van de
Conferentie van Staten die partij zijn door middel van geheime stemming uit een
lijst van personen, die door de Staten die Partij zijn uit hun onderdanen worden
aangewezen. Tijdens deze vergaderingen, waarvoor twee derde van de Staten die
Partij zijn het quorum vormen, zijn degenen die in het Comité zijn gekozen, die
personen, die het grootste aantal stemmen hebben verkregen, alsmede een absolute
meerderheid van de stemmen van de aanwezige vertegenwoordigers van de Staten die
Partij zijn die hun stem uitbrengen.
6. De eerste verkiezing wordt niet later gehouden dan zes maanden na de datum
van inwerkingtreding van dit Verdrag. Uiterlijk vier maanden voor de datum van
elke stemming zendt de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties een brief aan
de Staten die Partij zijn, teneinde hen uit te nodigen hun voordrachten binnen
twee maanden in te dienen. De Secretaris-Generaal stelt vervolgens een
alfabetische lijst op van alle personen die aldus zijn voorgedragen, waarbij
aangegeven wordt door welke Staat die Partij is, zij zijn voorgedragen en legt
deze voor aan de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag.
7. De leden van het Comité worden gekozen voor een termijn van vier jaar. Zij
zijn eenmaal herkiesbaar. De termijn van zes bij de eerste verkiezing benoemde
leden loopt na twee jaar af; terstond na de eerste verkiezing worden die leden
bij loting aangewezen door de voorzitter van de in het vijfde lid van dit
artikel bedoelde vergadering.
8. De verkiezing van de zes extra leden van het Comité vindt plaats ten tijde
van de periodieke verkiezingen in overeenstemming met de desbetreffende
bepalingen van dit artikel.
9. Indien een lid van het Comité overlijdt, terugtreedt of om andere redenen
verklaart zijn of haar taken niet langer te kunnen vervullen, benoemt de Staat
die Partij is die dat lid heeft voorgedragen een andere deskundige die beschikt
over de kwalificaties en voldoet aan de vereisten vervat in de desbetreffende
bepalingen van dit artikel om gedurende het resterende deel van de termijn
zitting te nemen.
10. Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.
11. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties stelt de benodigde
personeelsleden en voorzieningen ter beschikking, ten behoeve van de
doeltreffende uitvoering van de taken van het Comité uit hoofde van dit Verdrag
en belegt de eerste vergadering.
12. Na goedkeuring van de Algemene Vergadering ontvangen de leden van het Comité
dat uit hoofde van dit Verdrag is opgericht, emolumenten uit de middelen van de
Verenigde Naties onder de voorwaarden die door de Algemene Vergadering kunnen
worden vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met het belang van de
verantwoordelijkheden van het Comité.
13. De leden van het Comité hebben recht op de faciliteiten, voorrechten en
immuniteiten van deskundigen die een missie uitvoeren voor de Verenigde Naties,
zoals vastgelegd in de desbetreffende artikelen van het Verdrag nopens de
voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties.
Artikel 35 Rapportage door de Staten die Partij zijn
1. Elke Staat die Partij is dient, binnen twee jaar nadat
dit Verdrag voor de desbetreffende Staat die Partij is in werking is getreden,
via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties een uitgebreid rapport in bij
het Comité over de maatregelen die zijn genomen om zijn verplichtingen uit
hoofde van dit Verdrag na te komen, alsmede over de vooruitgang die is geboekt
in dat verband.
2. Daarna brengen de Staten die Partij zijn ten minste eenmaal per vier jaar een
vervolgrapport uit en voorts wanneer het Comité daarom verzoekt.
3. Het Comité stelt richtlijnen vast die van toepassing zijn op de inhoud van
de rapporten.
4. Een Staat die Partij is die een uitgebreid eerste rapport heeft ingediend bij
het Comité, behoeft de informatie die eerder is verstrekt niet te herhalen in
de vervolgrapporten. Bij het opstellen van de rapporten voor het Comité, worden
de Staten die Partij zijn uitgenodigd te overwegen daarbij een open en
transparante procedure te volgen en zich naar behoren rekenschap te geven van de
bepaling vervat in artikel 4, derde lid, van dit Verdrag.
5. In de rapporten kunnen factoren en problemen worden vermeld die van invloed
zijn op de mate waarin de verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag worden
vervuld.
Artikel 36 Behandeling van rapporten
1. Elk rapport wordt behandeld door het Comité dat naar
aanleiding daarvan suggesties en algemene aanbevelingen kan doen die het
relevant acht en deze doen toekomen aan de desbetreffende Staat die Partij is.
De Staat die Partij is, kan daarop reageren door door hem geselecteerde
informatie te zenden aan het Comité. Het Comité kan de Staten die Partij zijn
verzoeken om nadere informatie met betrekking tot de implementatie van dit
Verdrag.
2. Indien een Staat die Partij is de termijn voor het indienen van een rapport
aanmerkelijk overschreden heeft, kan het Comité de desbetreffende Staat die
Partij is in kennis stellen van de noodzaak de implementatie van dit Verdrag in
die Staat die Partij is te onderzoeken op grond van betrouwbare informatie
waarover het Comité beschikt, indien het desbetreffende rapport niet binnen
drie maanden na de kennisgeving wordt ingediend. Het Comité nodigt de
desbetreffende Staat die Partij is uit deel te nemen aan dat onderzoek. Indien
de Staat die Partij is antwoordt door het desbetreffende rapport in te dienen,
zijn de bepalingen van het eerste lid van dit artikel van toepassing.
3. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties stelt de rapporten ter
beschikking aan alle Staten die Partij zijn.
4. De Staten die Partij zijn stellen hun rapport algemeen beschikbaar aan het
publiek in hun eigen land en faciliteren de toegang tot suggesties en algemene
aanbevelingen met betrekking tot deze rapporten.
5. Indien het dit opportuun acht, zendt het Comité de rapporten van de Staten
die Partij zijn aan de gespecialiseerde organisaties, fondsen en programma’s
van de Verenigde Naties en andere bevoegde organen om daarin vervatte verzoeken
om, of meldingen van hun behoefte aan technisch advies of ondersteuning tezamen
met eventueel commentaar of aanbevelingen van het Comité ter zake van deze
verzoeken of meldingen aan hen voor te leggen.
Artikel 37 Samenwerking tussen Staten die Partij zijn en
het Comité
1. Elke Staat die Partij is werkt samen met het Comité
en ondersteunt zijn leden bij de uitvoering van hun mandaat.
2. In hun betrekkingen met de Staten die Partij zijn, besteedt het Comité
voldoende aandacht aan de wegen en manieren om de nationale mogelijkheden voor
de implementatie van dit Verdrag te verbeteren, onder andere door middel van
internationale samenwerking.
Artikel 38 Betrekkingen van het Comité met andere
organen
Teneinde de daadwerkelijke implementatie van dit Verdrag
te bevorderen, en de internationale samenwerking op het terrein waarop dit
Verdrag betrekking heeft, aan te moedigen:
a. hebben de gespecialiseerde organisaties en andere organen van de Verenigde
Naties het recht vertegenwoordigd te worden bij de behandeling van de
implementatie van de bepalingen van dit Verdrag die vallen binnen het kader van
hun mandaat. Indien het dat opportuun acht, kan het Comité de gespecialiseerde
organisaties en andere bevoegde organen uitnodigen deskundig advies te
verstrekken voor de implementatie van het Verdrag op terreinen die vallen binnen
het kader van hun onderscheiden mandaten. Het Comité kan gespecialiseerde
organisaties en andere organen van de Verenigde Naties uitnodigen rapporten in
te dienen over de implementatie van het Verdrag op terreinen die vallen binnen
het kader van hun werkzaamheden;
b. kan het Comité bij de uitvoering van zijn mandaat overleggen met andere
bevoegde organen die zijn opgericht op grond van internationale
mensenrechtenverdragen, teneinde de consistentie van hun onderscheiden
rapportagerichtlijnen, suggesties en algemene aanbevelingen te waarborgen en
dubbel werk en overlapping bij de vervulling van hun taken te voorkomen.
Artikel 39 Rapportage door het Comité
Het Comité brengt eenmaal per twee jaar verslag uit aan
de Algemene Vergadering en aan de Economische en Sociale Raad en kan suggesties
en algemene aanbevelingen doen naar aanleiding van de bestudering van de
rapporten en informatie ontvangen van de Staten die Partij zijn. Deze suggesties
en algemene aanbevelingen dienen in het rapport van het Comité te worden
opgenomen tezamen met het eventuele commentaar van de Staten die Partij zijn.
Artikel 40 Conferentie van de Staten die Partij zijn
1. De Staten die Partij zijn komen periodiek bijeen in
een Conferentie van de Staten die Partij zijn teneinde aangelegenheden te
behandelen met betrekking tot de implementatie van dit Verdrag.
2. Uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag wordt de
Conferentie van de Staten die Partij zijn bijeengeroepen door de
Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. De Secretaris-Generaal van de
Verenigde Naties belegt de volgende bijeenkomsten eenmaal per twee jaar of
wanneer de Conferentie van de Staten die Partij zijn daartoe besluit.
Artikel 41 Depositaris
De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties is
depositaris van dit Verdrag.
Artikel 42 Ondertekening
Dit Verdrag staat vanaf 30 maart 2007 op het
hoofdkwartier van de Verenigde Naties in New York open voor ondertekening door
alle Staten en organisaties voor regionale integratie.
Artikel 43 Instemming te worden gebonden
Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd door de
ondertekenende Staten en formeel te worden bevestigd door de ondertekenende
organisaties voor regionale integratie. Het staat open voor toetreding door elke
Staat of organisatie voor regionale integratie die het Verdrag niet heeft
ondertekend.
Artikel 44 Organisaties voor regionale integratie
1. Een ,,organisatie voor regionale integratie’’ is
een organisatie die is opgericht door soevereine Staten van een bepaalde regio
waaraan haar lidstaten de bevoegdheid hebben overgedragen ter zake van
aangelegenheden waarop dit Verdrag van toepassing is. Dergelijke organisaties
leggen in hun akten van formele bevestiging of toetreding vast in welke mate zij
bevoegd zijn ter zake van aangelegenheden waarop dit Verdrag van toepassing is.
Deze organisaties doen de depositaris tevens mededeling van iedere relevante
verandering in de reikwijdte van hun bevoegdheden.
2. Verwijzingen naar ,,Staten die Partij zijn’’ in dit Verdrag zijn binnen
de reikwijdte van hun bevoegdheid tevens van toepassing op deze organisaties.
3. Voor de toepassing van artikel 45, eerste lid, en artikel 47, tweede en derde
lid, worden akten, neergelegd door een organisatie voor regionale integratie,
niet meegeteld.
4. Organisaties voor regionale integratie oefenen ter zake van binnen hun
bevoegdheid vallende aangelegenheden hun stemrecht bij de Conferentie van de
Staten die Partij zijn uit met een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal
van hun lidstaten die partij zijn bij dit Verdrag. Bedoelde organisaties oefenen
hun stemrecht niet uit indien een van hun lidstaten zijn stemrecht uitoefent, en
omgekeerd.
Artikel 45 Inwerkingtreding
1. Dit Verdrag treedt in werking dertig dagen na de
nederlegging van de twintigste akte van bekrachtiging of toetreding.
2. Voor elke Staat of organisatie voor regionale integratie die het Verdrag na
de nederlegging van de twintigste akte bekrachtigt, formeel bevestigt of ertoe
toetreedt, treedt het Verdrag in werking dertig dagen na de nederlegging van
zijn akte ter zake.
Artikel 46 Voorbehouden
1. Voorbehouden die onverenigbaar zijn met het onderwerp
en het doel van dit Verdrag zijn niet toegestaan.
2. Voorbehouden kunnen te allen tijde worden ingetrokken.
Artikel 47 Wijzigingen
1. Elke Staat die Partij is kan een wijziging van dit
Verdrag voorstellen en indienen bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde
Naties. De Secretaris-Generaal deelt voorgestelde wijzigingen mede aan de Staten
die Partij zijn met het verzoek hem te berichten of zij een conferentie van de
Staten die Partij zijn verlangen, teneinde de voorstellen te bestuderen en
daarover te beslissen. Indien, binnen vier maanden na de datum van deze
mededeling, ten minste een derde van de Staten die Partij zijn een dergelijke
conferentie verlangt, roept de Secretaris-Generaal de vergadering onder auspiciën
van de Verenigde Naties bijeen. Wijzigingen die worden aangenomen door een
meerderheid van twee derde van de aanwezige Staten die Partij zijn en hun stem
uitbrengen, worden door de Secretaris-Generaal voorgelegd aan de Algemene
Vergadering en vervolgens ter aanvaarding aan alle Staten die Partij zijn. 2.
Een overeenkomstig het eerste lid van dit artikel aangenomen en goedgekeurde
wijziging, treedt in werking dertig dagen nadat het aantal neergelegde akten van
aanvaarding twee derde bedraagt van het aantal Staten die Partij waren op de
datum waarop de wijziging aangenomen werd. De wijziging treedt vervolgens voor
elke Staat die Partij is in werking dertig dagen na de datum waarop deze zijn
instrument van aanvaarding heeft nedergelegd. Een wijziging is uitsluitend
bindend voor de Staten die Partij zijn die haar aanvaard hebben.
3. Indien daartoe bij consensus besloten is door de Conferentie van de Staten
die Partij zijn, treedt een wijziging die is aangenomen en goedgekeurd in
overeenstemming met het eerste lid van dit artikel en uitsluitend betrekking
heeft op de artikelen 34, 38, 39 of 40 voor alle Staten die Partij zijn in
werking, dertig dagen nadat het aantal neergelegde akten van aanvaarding twee
derde bedraagt van het aantal Staten die Partij waren op de datum waarop de
wijziging werd aangenomen.
Artikel 48 Opzegging
Een Staat die Partij is kan dit Verdrag opzeggen door
middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de
Verenigde Naties. De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum van
ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 49 Toegankelijk format
De tekst van dit Verdrag wordt beschikbaar gesteld in
toegankelijke formats.
Artikel 50 Authentieke teksten
De Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de
Russische en de Spaanse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk authentiek.